Anti-TNF

Infliximab (= Remicade, Remsima, Inflectra of Flixabi)

In de jaren 1990 werd duidelijk dat de ontstekingsstof ‘tumor necrosis factor’ (meestal afgekort tot TNF) een belangrijke rol speelt bij chronische darmontstekingen. Dit eiwit is ervoor verantwoordelijk dat er almaar meer ontstekingscellen worden aangetrokken naar de plaats van de ontsteking en dat die cellen ook agressiever worden door vele andere ontstekingsstoffen aan te maken. Hoe meer TNF in het slijmvlies, hoe ernstiger de ontsteking. TNF komt uiteindelijk ook in het bloed terecht en kan een IBD-patiënt koortsig, moe en grieperig doen voelen.

Infliximab is een anti-TNF, dit wil zeggen dat het aan TNF bindt en zo de werking blokkeert. Infliximab is een chimeer antilichaam, wat betekent dat het stukje dat TNF bindt (en uitschakelt) van muizen afkomstig is. Een vervelend gevolg is dat een mens allergisch kan reageren op het stukje muizeneiwit en dan anti-infliximab antistoffen maakt. Patiënten die deze antistoffen hebben, lopen het risico een infusiereactie te krijgen tijdens of na de toediening (met koorts, roodheid, kortademigheid, beklemming op de borst) en dan ook een verminderd effect van het medicijn te ondervinden. Wanneer infliximab samen met immunsuppressiva als azathioprine of methotrexaat worden gegeven, is het risico op antistofvorming verminderd.

Jammer genoeg kunnen antilichamen enkel als infusies of injecties worden toegediend. Infliximab wordt gegeven in een inductieschema van 3 infusies op week 0, 2 en 6 en nadien een onderhoudsbehandeling om de 8 weken. Van die frequentie dient soms te worden afgeweken. Ongeveer driekwart van de patiënten ervaren een duidelijke verbetering met infliximab, en bij 30 tot 50 procent is er een genezing van het slijmvlies bij endoscopie. Het medicijn werkt zowel bij de ziekte van Crohn als bij colitis ulcerosa.

Als neveneffecten kennen we vooral een toegenomen risico op infecties (vooral van de luchtwegen) en een milde tot matig ernstige huiduitslag, die zelfs kan evolueren tot psoriasis. Soms moet de behandeling om die reden worden gestopt. Er bestaat ook een risico op het opvlammen van tuberculose bij patiënten die daarmee ooit in contact zijn geweest. Daarom worden alle patiënten die met deze medicijnen starten, getest op tuberculose. Ook patiënten met ernstig hartfalen mogen geen anti-TNF-medicijnen krijgen.

Vaccinaties met ‘levende vaccins’ zoals varicella, rotavirus en gele koorts zijn eveneens verboden tijdens anti-TNFtherapie. Mensen die verre reizen willen plannen, bijvoorbeeld naar Afrika, kunnen dus het best vooraf hun gele-koortsvaccin krijgen.

Anti-TNF-medicatie kan doorgaans wel veilig worden gebruikt tijdens de zwangerschap. Het medicijn komt wel bij de baby in het bloed maar dat blijkt geen gevaar op te leveren (zolang de baby geen levende vaccins krijgt, zoals het rotavirusvaccin).

Andere anti-TNF-medicijnen

Een tweede anti-TNF-medicijn dat werd ontwikkeld tegen IBD is adalimumab of Humira. Dit is een ‘humaan’ antilichaam, dat dus minder allergische reacties uitlokt. Humira wordt geïnjecteerd onder de huid, doorgaans door de patiënt zelf, met behulp van handige injectiepennen. De behandeling begint met 4 injecties bij aanvang, 2 injecties 2 weken later en verder 1 injectie om de 2 weken (soms wekelijks). De neveneffecten zijn globaal dezelfde als die van infliximab.

Anti-TNF-middelen zoals infliximab en adalimumab kunnen ook worden gebruikt om fistels bij de ziekte van Crohn te behandelen. Bij een derde tot de helft van de patiënten verbeteren anti-TNF-middelen fistelziekte, maar helaas verliest de behandeling vaak zijn effect na een tijd.

Naast infliximab en adalimumab zijn er nog twee andere anti-TNF-medicijnen ontwikkeld: certolizumab pegol (Cimzia) voor de ziekte van Crohn, wat echter niet in Europa is geregistreerd, en golimumab (Simponi) voor colitis ulcerosa. Simponi wordt na een inductieschema van 4 injecties bij de start en 2 injecties 2 weken later, om de 4 weken toegediend. Verder zijn er sinds 2016 ‘biosimilars’ voor infliximab beschikbaar. Biosimilars zijn vrijwel identieke middelen die vaak worden ingezet in plaats van de originele.

bron: Alles over chronische darmziekten, D'Haens G. en Vermeire S., Lannoo (2017)